De huid van Fons Brasser

Sommige mensen kunnen niet van de glanzende lak van bepaalde auto's afblijven, anderen moeten aan mooie stof zitten, of desnoods van de slagroom snoepen. Ik kan niet van de beelden van Fons Brasser afblijven. Ze zijn glad, zacht, strak en glooiend, kortom: een en al verleiding. Brasser maakt niet aleen beelden, maar ook foto's, collages en andere tweedimensionale kunstwerken.

De beelden maakt hij op basis van een vijfhoek, waarvan de kortste lengte de maat uitmaakt. Deze wordt vermenigvuldigd en als het ware uitgelegd tot er een coherent figuur ontstaat. Dit steeds wisselende patroon wordt in steen, beton, of brons herhaald. Brasser patineert het brons waardoor het een gouden kleur krijgt, of een fluweel zwarte. Hoewel de beelden een strakke harde vorm hebben, is een kant altijd in een verleidelijke glooiing geslepen. Brasser laat zijn beelden bij een Haarlemse steenhouwer slijpen, waardoor de structuur van het donkere graniet beter zichtbaar wordt. De glans van gepolijst graniet is hard en afwerend, terwijl het slijpen de huid van Brassers beelden verleidelijk, bijna vloeiend maakt. De kleine brokjes kleur lijken doordoor los in de zwarte steen te zweven.

De invloed van de groet Roemeense beeldhouwer Contantin Brancusi (1876 - 1857) is zichtbaar in zijn streven naar de pure vorm, als ook in de nadruk op de volmaakte huid. Uit de collages fijnen potloodtekeningen is het zoeken naar een ideale universele vorm zichtbaar. Hoewel het zelfstandige werken zijn, is de band met de beelden zichtbaar. Daarnaast maakt Brasser werken op karton die het midden houden tussen twee- en driedimensionaal. Hij gebruikt speciaal inpakkarton dat hij beschildert, dit er weer afschraapt en vervolgens de structuur van het oppervlak opglanst met schoensmeer. In dit werk is ook de tegenstelling zichtbaar tussen het dwingende model en de drang naar variatie. Bovendien is de invloed van Lucio Fontana (1899 - 1968) duidelijk aanwezig. Fontana was oorspronkelijk een beeldhouwer. Hij had als eerste in de vijftiger jaren het lef een gat in het schildersdoek (de huid) te maken.

Naast al dit werk fotografeert Brasser. Onlangs verscheen bij de Belgische Uitgeverij Voetnoot het boek 'Berlin Geisterbahn, met teksten van Armando en Cherry Duyns en foto's van Fons Brasser' (ISBN 90-71877-39-6, ca. Ä 22,50) Brasser begon zijn reportage van de Berlijnse S-Bahn statons in 1983 en maakte hiervoor pas in 1990 zijn laatste opname. De foto's van Brasser worden ook al door zijn grote hang naar structuur gedomineerd, zoals bij de Noord-Hollandse kerken die hij in opdracht van de provincie Noord-Holland heeft gefotografeerd. Het vertrouwde interieur wordt door hem net iets anders dan verwacht vastgelegd, zodat een andere ordening der dingen ontstaat en details tot opmerkelijke accenten worden.


 Visuele duidelijkheid

Het werkterrein dat Fons Brasser voor zichzelf heeft afgebakend is beperkt tot elementaire en vaak strikt geometrische figuren, met een uitgesproken voorkeur voor het vierkant. Punt van uitgang is het gebruik van maat - alles heeft een maat, in alles dient zich een maat aan.
Zelf zegt hij dat zijn werk in de eerste plaats het noteren van ideeŽn is, ideeŽn die hij om te beginnen op klein formaat, systematisch en overzichtelijk uitwerkt. Hierdoor krijgt hij meer zicht op de samenhang, de volgorde en de overeenkomsten binnen de thema's die hem bezighouden.
Tussen het concept en het (eind-)resultaat ligt een intensief proces van ontwerpen, verbeteren en verder ontwikkelen.
Bij iemand die in zijn werk zů simpele uitgangspunten hanteert en zich zulke beperkingen oplegt wordt de kwaliteit van de uitkomst van het werkproces bepaald door de eisen van doordachtheid en visuele duidelijkheid die hij zich stelt. Hoe doordachter het systeem, hoe vruchtbaarder en hoe gevarieerder de uitkomst.
De aantrekkelijkheid van dit werk bestaat daaruit dat hij op basis van een helder concept via een duidelijke uitwerking met sobere middelen tot een visueel resultaat komt. Zijn werk past in een nog steeds springlevende Nederlandse traditie van toegespitst beeldend onderzoek.

Ad Petersen, april 1988

< terug